2019.04.20 Paasviering ‘Het lied van de Mensenzoon’ – Toelichting door Paul Kevers

‘Het lied van de Mensenzoon’

We hebben het ‘Lied van de Mensenzoon’ gezongen zoals het door Huub Oosterhuis werd hertaald en door Bernard Huijbers – in gregoriaanse stijl – op muziek gezet. En daarna hebben we de tekst beluisterd waarop dat lied gebaseerd is: een tekst uit de brief van Paulus aan de christenen van Filippi. Een bekende tekst, een poëtische tekst ook. Twee keer drie strofen van elk drie regels. Drie strofen over de vernedering van de Mensenzoon: hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn goddelijke status – hij is mens met de mensen geworden – hij is zelfs de minste van allen geworden, gehoorzaam tot de dood. En drie strofen over zijn verheffing: God heeft hem hoog verheven – en hem de hoogste Naam verleend – die door iedereen erkend wordt: Jezus Messias, de Heer.

Gewoonlijk denkt men dat deze tekst uitsluitend de weg van Jezus Christus beschrijft. De klassieke vertaling begint als volgt: “Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God”. Zo wordt het bovendien een hoog-christologische tekst: Jezus is God, de tweede persoon van de heilige Drievuldigheid, die al vóór alle eeuwigheid bestond en die zich ‘vernederd’ heeft door ons menselijk bestaan aan te nemen, te lijden en te sterven. En die vervolgens door God verheerlijkt werd in de verrijzenis. Op die manier blijft de tekst redelijk ver van ons af staan…

Maar we kunnen de tekst ook anders lezen. In de vertaling die hier vandaag werd voorgelezen, en die correcter weergeeft wat er eigenlijk staat: “Hij die beeld van God is, wilde er niet naar grijpen zelf als God te zijn”. Hij die beeld van God is: dat is niet alleen Jezus, dat is ook elke mens. Volgens het scheppingsverhaal – dat we in het begin van deze viering hebben gehoord – is élke mens geschapen als ‘beeld van God’. Het ‘lied van de Mensenzoon’ in de Filippenzenbrief gaat dus niet alleen over Jezus, maar ook over elke mens naar Gods bedoeling. Het lied schetst de weg die iedere mens die authentiek mens wil zijn, kan en moet gaan.

Paulus citeert dit lied trouwens in het kader van een oproep tot al zijn lezers. Kijk maar eens naar de tekst die op uw blaadje staat afgedrukt. “Zusters en broeders, handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf. Laat onder u die gezindheid heersen die Christus Jezus had.” Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan. In het Grieks: kenodoxia. Kenos betekent ‘leeg’, doxa betekent ‘eer’, ‘glorie’. Kenodoxia is leeg of ijdel eerbejag, ijdele jacht naar goddelijke glorie, individueel carrière willen maken. Volgens het bijbelverhaal in de eerste hoofdstukken van Genesis is dat de grote bekoring waarvoor de eerste mens, geschapen naar Gods beeld, is bezweken: zelf als God willen zijn. De mens nam er geen genoegen mee, partner en bondgenoot van God te zijn; hij wilde zelf God zijn. (In het paradijsverhaal uitgebeeld door het eten van de ‘boom van kennis van goed en kwaad’, van universele kennis.) En daarmee is alle miserie begonnen: streven naar macht, bezit en eer; dus de ander niet als een broer en bondgenoot beschouwen maar als een concurrent, een uit te schakelen tegenstander (zie het verhaal van Kaïn en Abel). Dat leidt tot zij-tegenover-wij-denken, toenemende polarisatie, noem maar op.

Maar de God van de Bijbel is geen heerszuchtige God. Hij is een God die afdaalt van zijn troon en naast de kleinste mens gaat staan. Die de noodkreet hoort van de arme, de vreemdeling, de weduwe, de wees. Die meelijdt met de lijdenden. Die oproept tot solidariteit met de zwaksten. Beeld van God zijn houdt dus in, wat Paulus uitdrukt met het Griekse woord tapeinofrosunè: bescheidenheid, ootmoedigheid, nederige gezindheid, deemoed (‘moed om te dienen’). Dat is geen zielige berusting, maar iets dat sterk is, een kracht. Elkaar hoogachten, elkaar liefhebben; de ander hoger achten dan jezelf.

Jezus is die weg tot het uiterste toe gegaan. Hij die niet hoogmoedig zelf God wilde zijn, maar zich ‘ontledigd’ heeft (kenosis), minste met de minsten werd, hij wordt door God ‘begenadigd’ met de hoogste naam. En Paulus spoort ons aan, ook die weg te gaan. ‘Laat onder u de gezindheid heersen die Jezus Christus had’. Jezus is onze leidsman en lotgenoot. De weg die Jezus ging, is de enige weg die leidt tot wereldwijde verbondenheid en waarachtige humaniteit. Een weg die leidt naar doxa, de eer en glorie van God. Want zoals kerkvader Irenaeus zei: ‘gloria Dei vivens homo’, de heerlijkheid van God is de volop levende mens. Die overtuiging vieren wij met Pasen.

Als wij in de wereld om ons heen kijken, dan zien wij veel kenodoxia, veel ijdel eerbejag. We zien politieke leiders die zichzelf verheerlijken en hun macht proberen te bestendigen door angsten aan te wakkeren en daardoor de polarisatie in de hand te werken. We zien de verrechtsing en de verruwing in onze samenleving, de haatberichten in de sociale media… er is ook kenodoxia in ons eigen hart. Je zou er moedeloos van worden. Gelukkig is er een tegenbeweging en zien wij ook andere voorbeelden, zelfs bij politieke leiders. Na de bloedige aanslag op twee moskeeën in Nieuw-Zeeland op 15 maart zette premier Jacinda Ardern een zwarte hoofddoek op en ging zo haar steun betuigen aan de moslimgemeenschap in een centrum voor vluchtelingen in Christchurch. Ze benadrukte dat heel Nieuw-Zeeland dezelfde liefde voor hen voelt en hetzelfde verdriet deelt. Leidsvrouw werd lotgenote: ze sloot zich als mens bij de mensen aan en verenigde zich met de onderdrukten. Bij haar geen haatgevoelens, geen polarisatie, maar integendeel de boodschap dat Nieuw-Zeeland één is in al zijn diversiteit. In haar toespraak geen onderscheid tussen ‘de moslims’ en de rest, integendeel: ‘Zij zijn wij’.

En zo zijn er nog veel andere hoopgevende voorbeelden, op grote en op kleine schaal, vlammetjes van licht in de duisternis. Pasen vieren is die vlammetjes willen zien en er ook zelf een willen zijn…

Waarschijnlijk was het lied dat Paulus in zijn brief aan de Filippenzen citeert, oorspronkelijk een dooplied in de paasnacht. Een samen afgelegde eed van trouw aan de beweging van de God van de uittocht, God van bevrijding, Stem die oproept tot broederlijke solidariteit. Een samen gezongen belofte om de gezindheid van Jezus tot de onze te maken en zijn weg te gaan, de weg van tapeinofrosunè, moed om te dienen en elk ander mens hoog te achten – de enige weg die Naam verdient, de enige weg die leidt tot wereldwijde verbondenheid en waarachtige humaniteit.

Laten wij dat uitzingen in lied nr. 169, een andere vertolking van het ‘Lied van de Mensenzoon’.

Voorbede

1.
Maken wij ruimte in ons hart, of bidden wij
voor mensen die ontmoedigd raken door het vele slechte nieuws in de media,
die bang zijn dat het met de wereld de verkeerde kant uitgaat:
dat hun ogen opengaan voor de vele vlammetjes van hoop die er ook zijn,
dat zij blijven geloven in het Licht dat de duisternis overwint.

2.
Voor hen die het aandurven
consequent de weg te gaan van de deemoed,
de ‘moed om te dienen’, om solidair op te komen voor de zwakkeren:
dat zij de moed niet verliezen
en een lichtend voorbeeld zijn voor velen.

3.
Voor onszelf, die hier samengekomen zijn om Pasen te vieren:
dat de paasvreugde aanstekelijk mag werken.
Laat ons niet vergeten
dat wij voor het licht gemaakt zijn
en dat niemand ons die diepe vreugde kan ontnemen!

Keer U om naar ons toe, keer ons toe naar elkaar (149)