19.03.08 Geloven in de stad

Toelichting gehouden door Yves de Maeseneer

Geloven in de stad. Toelichting: Yves De Maeseneer

In de stad is het begonnen…: Handelingen 2,42-47

 

1. Babylon of Jeruzalem? Een bijbelse visie op de stad

Vele volkeren kennen legendarische verhalen over de stichting van hun stad. Bijvoorbeeld Rome, met de tweeling Romulus en Remus. De boodschap is dat de goden deze stad gesticht hebben als centrum van de wereld vanwaar de glorie van het Romeinse volk over de hele aarde zal stralen.

 

De geschiedenis van Israël begint anders. Abraham was geen heldhaftige stichter van een wereldstad, maar iemand die wegtrekt uit zijn stad en rondzwerft op zoek naar het beloofde land. Uiteindelijk vestigen de Israëlieten zich in Jeruzalem, een stad die ze niet zelf gebouwd hebben. Onder koning David wordt duidelijk dat ook de heilige stad niet immuun is voor de corruptie van de macht. Later worden de Israëlieten weggevoerd naar de wereldstad Babylon, waar ze als ballingen leven en zeer scherp ervaren hoe de stad genadeloos hard kan zijn voor de verdrukten.

 

Babylon en Jeruzalem – twee gezichten van de stad. In de bijbel verschijnt de stad als de plaats waar het beste en het slechtste in de mens naar boven komt. Een zee van mogelijkheden, maar ook steeds weerkerende risico’s. De stad, dat zijn de straten en pleinen waar volkeren elkaar ontmoeten. Zwakke mensen vinden er bescherming en vrede binnen hun muren. Maar anderzijds kan de stad ook de plek zijn van de arrogantie van de machtigen, de plek waar de kloof tussen rijk en arm het diepst is, de onrechtvaardigheid en onveiligheid het schrijnendst.

 

Daar staat elke mens voor de keuze: welke stad wil je? Telkens opnieuw. Want, zo weten de bijbelse tradities: geen enkele stad is zomaar voor eens en voor goed heilig – de profeten zullen de decadentie van de stad Jeruzalem aanklagen en uitroepen dat ze erger is geworden dan Sodom en Gomorra. Aan de andere kant blijft er ook voor de vervallen stad de kans om zich te bekeren – denken we aan het verhaal van Jona en de spectaculaire bekering van de heidense stad Ninive.

 

2. ‘Huisgenoten van God’: de kerk als stad

Daarnet lazen we een stukje uit de Handelingen, het oorsprongsverhaal van de Kerk. Een eerste belangrijke vaststelling is dat de eerste christelijke gemeenschappen zich situeren in de hoofdstad. Dat is verrassend. Jezus zelf was geen man van de stad. Hij was in het provinciestadje Nazareth grootgebracht. Hij trok rond op het platteland. Zijn parabels gingen vaak over het buitenleven, verhalen voor boeren, herders en vissers. Zijn volgelingen kwamen vooral uit het landelijke Galilea. Wanneer Jezus dan eindelijk naar de grote stad Jeruzalem trekt, vindt hij er de dood. Zijn leerlingen vluchten terug naar Galilea. Alleen enkele vrouwen blijven achter in de stad. Normaal zou je verwachten dat de leerlingen van Jezus zich op het rustige platteland zouden hergroeperen. Maar neen, de vrouwen blijven in Jeruzalem en de mannen, Petrus en de zijnen, keren terug naar de stad. Dat is de grote verandering in de Jezus-beweging: na Pasen gaat de groep plattelanders zich in de stad Jeruzalem vestigen. Pasen en dan Pinksteren wijzen de richting: de verrezen Christus wil hen in de stad.

 

Dat was niet de gemakkelijke weg. De leerlingen, mannen en vrouwen, zitten daar in Jeruzalem, waar ze niemand kennen, hun vrienden en familie zijn veraf. Maar misschien juist daarom ontdekken de eerste christenen de bevrijdende kracht van de stad: daar komen mensen los van hun banden van bloedverwantschap en herkomst. Ze zijn nieuwkomers, toch zijn ze in de Geest van Christus ‘geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Christus Jezus zelf de hoeksteen is.’ (Ef 2,19-20) De eerste christenen bewonen de stad als huis van God. Het enige wat ze hebben is hun geloof: hun trouw in het breken van het brood en het gebed. ‘Allen die het geloof hadden aangenomen, kwamen bijeen en bezaten alles gemeenschappelijk.’ (Hand 2,44)

 

Het vroege christendom is een stadsgeloof. Kerk en stad waren in zekere zin synoniemen. Dat hebben we voor een groot deel te danken aan Paulus, een echte stadsmens. Paulus heeft de ervaring van de christenen van Jeruzalem mee verspreid over steden als Antiochië, Korinthe, Tessalonica, Filippi (in Macedonië), tot in Rome. Naar de nieuwe gemeenschappen schrijft hij brieven, een typisch stedelijk communicatiemiddel. Het is interessant dat Paulus de christelijke gemeenschappen aanspreekt met het Griekse woord ‘ekklesia’ (zie het Franse ‘église’). ‘Ekklesia’ was in die tijd de courante term om ‘de vergadering van de burgers van een Griekse stad’ aan te duiden. Deze open stadsvergadering werd beschouwd als het hart van het stadsleven, de basis van de vrijheid van de stedelingen. Paulus neemt die term ‘ekklesia’ over. Wanneer de verrezen Heer Paulus zendt om ‘ekklesiai’ te stichten, gaat het er niet om kerken te bouwen, maar mensen in steden bijeen te brengen. ‘En ze kwamen bijeen in één of ander huis.’ (Hnd 2,46)

 

Kerk zijn is bijeenkomen. De vrije stad was het model voor de kerk. De vroege kerk zag zichzelf als de ideale stad, de stad zoals God die bedoeld had. Waar vrijheid in de Griekse steden voorbehouden was voor een elite (slaven en niet-burgers hadden geen burgerschap), breekt Christus die scheidingsmuren af. De eerste christenen ervaren hoe ze een nieuw soort gemeenschap vormen: ‘Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: gij zijt allen één in Christus Jezus.’ (Gal 3,28) ‘En de Heer breidde hun kring dagelijks uit.’ (Hnd 2,47)

 

3. ‘Als vreemdelingen in de stad’: Jeruzalem als belofte

Mooi. Maar de stad heeft twee gezichten: Babylon en Jeruzalem. En ook de kerk, die bedoeld is als de voltooide stad, ontsnapt daar niet aan. Welk onderricht gaven Jezus’ leerlingen dan aan de nieuwe gelovigen?  In de brief aan de Hebreeën wordt voor de christenen de weg van Abraham in herinnering geroepen.

‘Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen; hij vertrok zonder te weten waarheen. Door het geloof verbleef hij als vreemdeling in het land dat hem beloofd was; hij woonde er in tenten, evenals Isaak en Jakob, die dezelfde belofte erfden; want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan God de architect en bouwer is.’ (Hebr 11,8-10)

Zo verblijft ook de christen als een vreemdeling in de stad, want ‘wij hebben hier geen blijvende stad, maar zijn op zoek naar de stad van de toekomst.’ (Hebr 13,14)

 

Daarom werden de eerste christelijke gemeenschappen ook ‘parochies’ genoemd. Let wel: dit woord had oorspronkelijk een andere betekenis dan die wij nu kennen. Tegenwoordig doet ‘parochiaal’ denken aan de bekrompen en gesloten kerktorenmentaliteit van een kleine dorpsgemeenschap. Al te vaak hebben de huisgenoten van God zich inderdaad teruggetrokken in een soort clubhuis van ‘ons kent ons’. ‘Parochie’ komt echter van het Griekse werkwoord ‘paroikein’, dat betekent: ‘ergens als vreemdeling verblijven’. Zo worden de lezers van de eerste brief van Petrus aangeduid als ‘paroikoi’ (1 Petr 2,11), te vertalen als: ‘mensen zonder een vaste verblijfplaats, mensen zonder burgerrechten in de bestaande orde’. Enerzijds was dat de harde realiteit: heel wat van de eerste christenen waren mensen die aan de rand van de samenleving leefden. Anderzijds drukt het woord ‘parochianen’ ook goed uit welke houding Petrus verwacht van gelovigen. Een echte parochiaan is iemand die als een vreemdeling in de stad verblijft, er zich niet settelt.

 

De eerste christenen waren stadsmensen die niet opgingen in de stad met al haar dubbelzinnigheid. In de steden waar zij leefden, waren ze op weg naar de komende stad. Ook ons leven in de stad van vandaag staat altijd op de uitkijk naar de stad die God zal bouwen. In het laatste boek van de bijbel, in de visioenen van de Apocalyps, wordt die belofte in sterke beelden uitgedrukt. De belofte van God is een gastvrije stad aan de stroom, vol leven en licht. (Apoc 21,9-22,5) Wie leeft in vertrouwen op die belofte, die zal merken dat gaandeweg de Geest in zijn leven opflakkert.

 

Het begon met stadsmensen die droomden van een stad van vrede. Later werden de christenen kathedralenbouwers. Het woord ‘kathedraal’ verwijst naar het Latijnse ‘cathedra’, de ‘troon’ waarop de bisschop zetelt. De kathedraal staat symbool voor een kerk die zich genesteld heeft in de stad, een kerk die er het machtige centrum van geworden is. Onlangs verklaarde een Engelse bisschop dat hij zijn kathedraal het liefst met de grond zou gelijk maken om terug de eenvoud van het evangelie te kunnen beleven. Maar anderzijds is het misschien tijd om te herontdekken dat kathedralen door de architecten uitdrukkelijk bedoeld waren als beeld van het hemels Jeruzalem, van de komende stad van vrede. Het zijn plaatsen waar beelden van Gods belofte van een nieuwe stad bewaard worden. Mogen onze gemeenschappen, onze kathedralen en kerken, opnieuw parochies worden in de ware zin van het woord: plaatsen waar bevrijde mensen gemeenschap vormen, als vreemdelingen in de stad, op uitkijk naar de Komende.

 

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

November 2017
M D W D V Z Z
30 31 1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 1 2 3

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen